Kanker als gevolg van onvolwaardige voeding kan genezen

Kanker als gevolg van onvolwaardige voeding kan genezen

Voorwoord

Het boek van de Vlaardingse huisarts Cornelis Moerman “Kanker als gevolg van onvolwaardige
voeding kan genezen door dieet en
therapie” werd in 1978 voor het eerst uitgegeven. De elfde en laatste druk
hiervan verscheen in 1984.

Dit boek bevat de volledige informatie over het dieet dat
het belangrijkste onderdeel is van de therapie, daarnaast is er aandacht voor
de door Moerman aanbevolen essentiële stoffen. Een boekwerk voor iedereen
die geïnteresseerd
is in de visie van Cornelis Moerman, en tevens alle informatie biedt om zelf
aan de slag te gaan met de door Cornelis Moerman ontwikkelde therapie.

Het zal de lezer niet ontgaan zijn dat de laatste decenia
voeding op een steeds belangrijkere plaats is komen te staan bij het voorkomen welvaartsziekten
waaronder kanker. Iets waaraan men zo’n halve eeuw geleden niet aan durfde te
denken. Vanuit de reguliere geneeskunde wordt op dit moment zelfs voeding al
gezien als een mogelijkheid om ziekten te behandelen en te genezen. Echter
kanker wordt hierbij nog niet genoemd.

Cornelis Moerman wist al tijdens zijn studie geneeskunde dat voeding een genezend effect heeft op elke ziekte en niet alleen op kanker. Hij was er van overtuig dat in een gezond lichaam geen kanker kan ontstaan en dat voeding de belangrijkste manier is om kanker te voorkomen. Moerman zelf was 100% overtuigd van de positieve werking van zijn dieet.

Cornelis Moerman heeft in zijn zoektocht gevonden hoe je iemand gezond kon maken, terwijl de meeste artsen alleen maar op zoek zijn naar het ongezonde zodat ze dit weg kunnen nemen. Dit is in de laatste 100 jaren niet veranderd. Moerman was ervan overtuigd en heeft ook aangetoond dat het wel degelijk mogelijk is om zelf iets te doen om beter te worden.

Bij de genezing van kanker en andere ziekten kan de
Moermantherapie een zeer grote en belangrijke bijdrage leveren door het lichaamseigen
immuun- en herstelsysteem optimaal te laten functioneren.

Ons eigen lichaam is een fantastisch instrument dat door het
moermandieet maximaal versterkt wordt.

Maart 2020

Henk Schram

Hans Stoop


Hoofdstuk 1

Toen ik examen deed bij de hoogleraar Tendeloo te Leiden, legde deze een preparaat onder de lens van de microscoop en sprak de woorden: ‘Ziet u maar eens.’

Ik kende de hoogleraar. Ik kende ook zijn stelling: ‘Men kan pas denken wanneer men mogelijkheden kan overdenken.’ Zodoende achtte ik het raadzaam in de eerste plaats te beschrijven wat ik in het gezichtsveld van de microscoop aanschouwde, om vervolgens verschillende mogelijkheden te noemen en pas daarna te zeggen: ‘Het meest waarschijnlijk acht ik dat we hier te maken hebben met kanker.’ De hoogleraar knikte bevestigend en vroeg: ‘Wat denkt u van de oorzaak van kanker?’

Ik noemde als mogelijkheden: een infectie van tot nog toe onbekende aard; een verdwaalde kiem uit het embryonale tijdperk; een voortdurende prikkeling en beschadiging, zoals men dat kan zien bij rokers, als de steel van de pijp een voortdurende druk uitoefent op dezelfde plaats van de lip; om tenslotte te eindigen met de opmerking, dat de oorzaak van kanker misschien kon zijn gelegen in een plaatselijk deraiilement van de stofwisseling, die kan zijn veroorzaakt door een abnormale toestand van het gehele lichaam.

Direct vroeg de hoogleraar: ‘Kunt u dat motiveren?’. Ik antwoordde: ‘U heeft indertijd op het college een preparaat gedemonstreerd dat bestond uit een geamputeerd onderbeen. Aan dit been toonde u een ulcus cruris , dat jarenlang had bestaan en waarin zich tenslotte een kanker had ontwikkeld, die de amputatie noodzakelijk had gemaakt. Dat preparaat, professor, heeft mij nog altijd iets te zeggen. Het zegt mij allereerst dat de wond niet wilde genezen. Waarom wilde de wond niet genezen? Die wondplek was betrekkelijk klein. Ook was ze tamelijk oppervlakkig. Denkt u dat deze wondplek, indien ze had bestaan bij een volkomen gezond organisme, met een perfecte stofwisseling, dezelfde treurige gang zou zijn gegaan? De genezingskrachtkracht van het gezonde organisme is altijd groot genoeg om een plaatselijke beschadiging van het weefsel te doen genezen. De plaatselijke beschadiging kwam van buitenaf, maar het niet willen genezen kwam van binnenuit. En deze factor ‘van binnenuit’ zie ik in de eerste plaats als een ontsporing van de stofwisseling. En deze ontsporing, indien het langdurig bestaat, zou wel eens de hoofdrol kunnen spelen bij het ontstaan van kanker.’

Na mijn artsexamen vestigde ik mij in mijn geboortehuis, gelegen in de plattelandsgemeente Vlaardinger-Ambacht. Ik besloot mijn leven te wijden aan het kankerprobleem. Maar welke weg moest ik inslaan? Wie kon mij de weg wijzen?

Toen zijn er twee gebeurtenissen in mijn leven gekomen, twee toevalligheden. En deze twee gebeurtenissen zijn twee brieven, welke mij werden thuisgestuurd en waarin de weg die ik gaan moest, stond geschreven. De eerste brief was een reclamebiljet van Franse wijnbouwers, waarin hun wijn werd aangeprezen onder vermelding dat in hun wijndistrict het aantal mensen met kanker beduidend lager was dan elders, waar geen wijn werd verbouwd.

Wat zit in wijn? In wijn zit citroenzuur en jodium. Zouden deze stoffen iets te maken hebben met kanker? Welke rol zou dit jodium kunnen spelen en zou het citroenzuur misschien een natuurlijke vijand zijn van de kankercellen? Zulke en soortgelijke vraelden door mijn hoofd.

Daar ik mijn postduiven wilde gebruiken als proefdieren, deed ik het verzoek aan het Duitse Bayerconcern, mij te willen mededelen hoeveel duiven naar hun mening overeenkwamen met een volwassen mens, wat betreft de stofwisseling, dit in verband met mijn kankeronderzoek. Het antwoord hierop was de tweede brief, die mij de weg wees naar het doel.
Men schreef mij, dat de stofwisseling van 24 duiven gelijk gesteld kon worden aan die van een volwassen mens. Daaronder stond de mededeling, dat het aan het Bayerconcern niet was gelukt met duiven iets te bereiken. Bij gezónde duiven kan men geen kanker verwekken. Hier staat, in slechts enkele woorden, de weg naar het doel. Immers: de brief deelde mij precies het tegenovergestelde mede van wat men ziet bij ratten en muizen, want bij deze proefdieren kan men door voortdurende inwerking van teerprodukten gemakkelijk kanker verwekken. Het is déze tegenstelling waarvan ik bij mijn studie gebruik heb gemaakt, niet de gedachte dat het in alle eeuwigheid onmogelijk zou zijn dat een postduif kanker zou kunnen krijgen. Het door mij bestudeerde probleem is niet: ‘Waarom gelukt het verwekken van kanker bij muizen wel’, maar juist het tegenovergestelde: ‘Waarom gelukt dit bij postduiven niet.’

Anders gezegd: ik vroeg mij niet af welke verwoestingen de teer aanricht in de speciale stofwisseling van de muis, waarvan kanker het gevolg is, maar ik vroeg mij af welke factoren er in de speciale stofwisseling van de postduif aanwezig zijn, waardoor hier dit gevolg uitblijft. Het uitblijven van dit gevolg rechtvaardigt de conclusie, dat in de constitutie van deze vogels iets aanwezig moet zijn dat hen daartegen behoedt. De opgave werd derhalve het zoeken naar deze onbekende factoren die dit mogelijk maken. Mocht het mij gelukken deze factoren te ontsluieren, dan was het niet onmogelijk, dat hiermede tevens een perspectief werd geopend in de therapie tegen kanker.

[1] Moerman spreekt in al zijn werken en voordrachten over een “deraillement”.
[2] Slecht genezende wond (zweer) aan het onderbeen. Ulcus cruris is ook bekend als een open been.

Hoofdstuk 2 – Opmerkingen over postduiven

De temperatuur van het lichaam van een postduif is niet 37°, zoals bij de mensen, maar 40°C. Hij heeft geen zweetklieren, maar wel een vast aaneengesloten vacht van veren. De morfologische structuur is dus berekend op zo weinig mogelijk warmteverlies, teneinde alle geproduceerde energie te kunnen aanwenden voor het vliegen.
Hoe wordt deze energie geproduceerd? Antwoord: door middel van oxydatie, wat wil zeggen met behulp van zuurstof . Om nu een inzicht te krijgen in de enorme omvang van deze oxydatie, geef ik het volgende voorbeeld:

Gesteld dat een duif op een wedvlucht een afstand moet afleggen van 700 km. Maakt hij daarbij een snelheid van 70 km per uur, dan moet hij 10 uur zonder ophouden vliegen. Hij maakt 5 vleugelslagen per seconde, dus in totaal 10 x 60 x 60 x 5 = 180 000 vleugelslagen. Dit enorme aantal vleugelslagen is nodig om de 500 gram, die de duif weegt, gedurende 10 uur met een snelheid van 70 km door het luchtruim te bewegen. Overbodig te zeggen, dat dus de duif van nature moet beschikken over een hoog oxydatievermogen om veel energie te kunnen produceren. Wanneer men voorts bedenkt dat de duif een halve kilogram weegt en dagelijks ruim 30 gram graan gebruikt, dus één kg in een maand, dan zou een mens met een gewicht van 75 kg, per maand 150 kg vast voedsel moeten gebruiken en ook verbranden, om hierin gelijk gesteld te kunnen worden met een postduif.

Hieruit volgt de stelling: het is mogelijk dat de duif tegen elke poging onzerzijds bij deze vogel kunstmatig kanker te verwekken, van nature is beschermd, doordat zijn stofwisseling gekenmerkt is door een hoog oxydatievermogen.
Wat mij dus te doen stond was zoeken naar de stoffen die verband houden met dit oxydatievermogen. Alle stoffen die in staat zijn de vitaliteit en het oxydatievermogen in een optimale toestand te brengen, moest ik opsporen. De mogelijkheid daartoe was aanwezig, omdat de invloed van ‘goede’ stoffen immers terstond zou blijken uit het resultaat van de wekelijkse wedvluchten.
Ik trachtte dus de stofwisseling van de duiven zodanig te beïnvloeden dat de gezondheid en het prestatievermogen van ‘de duif als geheel’ op een hoger peil kwamen te staan. Daar de stofwisseling dag na dag, week na week en jaar na jaar wordt onderhouden door de voeding, is het begrijpelijk dat in de eerste plaats de kwaliteit van het voedsel de aandacht vroeg. Voor het handhaven van de gezondheid is het niet alleen nodig dat alle cellen van het lichaam voeding krijgen aangevoerd, maar het is noodzakelijk dat alle benodigde bouwstoffen in een onderling juiste verhouding gelijktijdig aan de cellen worden aangeboden. Hieruit volgt dat niet de kwantiteit van het voedsel over de gezondheid beschikt, maar in de eerste plaats de kwaliteit. Voedsel belast met verkeerde stoffen, en vooral met een tekort aan onmisbare stoffen, zal tenslotte de ‘op finaliteit gerichte processen’ in de stofwisseling doen ontsporen en de basis vormen waarop ziekte ontstaat. Om deze reden zijn de door mij genomen voedingsproeven met de duiven in de eerste plaats gericht op het effect van de kwaliteit.

Ik deed dus niet zoals Bayer die getracht had de duif kanker te bezorgen om daaruit conclusies te kunnen trekken, maar ik deed precies het omgekeerde: ik trachtte de duif te brengen in een optimale gezondheid, met het doel te weten te komen welke stoffen daarop van invloed zijn. Deze onderzoekingen heb ik gedaan in de jaren die zijn voorafgegaan aan 1940.
Het komt er dus op neer dat ik mijn denken concentreerde op de stofwisseling en de oxydatieprocessen in de cellen. Door proefnemingen met postduiven wilde ik te weten komen welke stoffen in de voeding een normaal verloop van deze processen garanderen. Anders gezegd: ik wilde weten wat men dient te verstaan onder een volwaardige voeding voor een postduif, en aangezien een postduif nagenoeg hetzelfde eet als de mens, kan deze volwaardige voeding ook gelden voor ieder van ons.

Hoofdstuk 3 – Proeven met postduiven

Ik ben geboren op het landgoed ‘Hoogstad’ te Vlaardinger-Ambacht, hetwelk ik later van mijn ouders heb geërfd. Reeds als jongen had ik een hok met postduiven. De omgang met deze vogels was mijn grootste genot. Kort na mijn vestiging op het landgoed gebeurde het dat er een jongen bij mij kwam met een zieke postduif. Deze jongen vertelde mij dat zijn vader de vogel had laten onderzoeken en dat was vastgesteld dat de duif leed aan een kankergezwel. De jongen stelde mij de vraag of er nog wat aan te doen was. Het is déze duif geweest waarmee ik mijn eerste proef heb gedaan. Met een injectiespuit haalde ik uit de tumor een hoeveelheid cellen en spoot ze in de borstspier van één van mijn gezonde duiven. Het resultaat was dat de zieke duif met het gezwel na enige weken doodging, maar de ingespoten duif in leven bleef.
Zoals reeds is medegedeeld, vroeg ik aan de Bayerfabriek, waarvan ik als apotheekhoudend geneesheer medicijnen betrok, hoeveel duiven men gelijk kon stellen aan één mens wat betreft de stofwisseling. Het antwoord luidde: 24 duiven. Tevens kreeg ik echter de waarschuwing van de wetenschappelijke afdeling dat men bij gezonde postduiven op generlei wijze kunstmatig kanker kan verwekken. Dat klopte dus met de uitkomst van mijn eigen experiment. Ik zie deze feiten als een bewijs dat een gezonde postduif in zijn gezonde stofwisseling een geheimzinnige onderdrukker moet bezitten welke hem beschermt tegen het ontstaan van kanker. En anderzijds zal verval van gezondheid, gepaard met het teruglopen van de oxydatieprocessen, tot gevolg hebben dat de onderdrukker niet meer kan functioneren, of zelfs geheel wordt uitgeschakeld, waardoor de weg wordt vrijgemaakt voor het ontstaan van kanker in het lichaam van een postduif, of van een mens.

Ziedaar het punt waarop een geheel nieuwe zienswijze ontstond, namelijk: niet langer proefdieren gebruiken om kanker te veroorzaken, maar gezonde postduiven, die kankercellen kunnen laten verdwijnen. Door middel van experimenten vaststellen welke stoffen in de voeding aan de basis liggen van een ideale gezondheid, om zodoende de geheimzinnige onderdrukker te benaderen. Anders gezegd: ik ging de tot nog toe volgens de oude zienswijze onneembare vesting bestormen vanuit de tegenovergestelde zijde, namelijk aan het beginpunt van de ziekte en niet aan het eindpunt. Bovendien had ik hierbij het grote voordeel dat postduiven nagenoeg hetzelfde voedsel eten als een mens. Gewapend met de bovengenoemde inzichten begon ik met de volgende duivenproeven. Aanvankelijk twee hokken, elk met 24 duiven. Later vier hokken. Om nu uit te maken welke invloed een bepaalde stof in de dagelijkse voeding heeft op de gezondheid van een duif, dus op de stofwisseling en ook op de oxydatieprocessen, ging ik als volgt te werk. Eerst kregen de duiven in beide hokken enige weken het gangbare voedsel. Het gevolg was dat er tussen de duiven van beide hokken geen verschil in gezondheid te bemerken was. Daarna gaf ik de duiven van het eerste hok gist in het drinkwater. Daar gist de vitaminen van het B-complex bevat, moest in het tweede hok elke vorm van B-vitaminen worden weggelaten. De tarwe moest worden vervangen door verkruimeld wit brood, de gerst en padi door parelrijst ; de bonen, erwten en maïs mochten hetzelfde blijven. Na enige weken was het resultaat onmiskenbaar. De duiven van het eerste hok kwamen in ‘vorm’, maar in het tweede hok ontbrak deze ‘vorm’ totaal. Meegegeven op een wedvlucht over enige honderden kilometers was het resultaat niet twijfelachtig. De duiven van het eerste hok kwamen klapwiekend onvermoeid terug. Die van het tweede hok waren zichtbaar vermoeid en liepen hun hok binnen met hangende vleugels. Voor mij was dit een bewijs dat bij deze duiven het oxydatievermogen was teruggelopen, met als gevolg een verminderde energieproductie en het ontstaan van vermoeidheid.
Vanzelfsprekend heb ik voor het vinden van de overige stoffen dezelfde methode toegepast. Bijvoorbeeld: voor de vitamine E gaf ik de duiven van het eerste hok gekiemde tarwe en bovendien tabletten in het drinkwater. Het aantal tabletten was gemakkelijk te bepalen, want 24 duiven zijn gelijk te stellen aan één mens. De benodigde dagelijkse dosis voor een mens kon ik vinden in de folders van Hoffmann La Roche . In het tweede hok gaf ik de gewone gangbare mengeling. Ik kreeg hetzelfde resultaat als bij de proef met het B-complex. Het vitamine E acht ik zeer belangrijk. Enige jaren geleden behandelde ik een 11-jarige doffer met deze vitamine. Ingezet op een wedvlucht over 1300 km (Barcelona) won hij zelfs internationaal een prachtige prijs. Naar aanleiding van een reclamefolder van wijnbouwers uit de streek rond Bordeaux ben ik op het idee gekomen ook te experimenteren met jodium en citroenzuur.
Onnodig te zeggen dat veel stoffen die ik heb beproefd geen waarde bleken te hebben.

Deze proeven met de postduiven hebben onmiskenbaar bewezen dat acht stoffen, met name vitamine A, B-complex, E en D, citroenzuur, jodium, zwavel en ijzer, noodzakelijk constant in de voeding voldoende aanwezig moeten zijn voor het behoud van een ideale gezondheid. En anderzijds, dat een chronisch tekort aan deze stoffen, ondanks de aanwezigheid van zuurstof, leidt tot verminderde oxydatie in de cellen ten gunste van gisting. Op deze wijze wordt de weg vrijgemaakt voor het ontstaan van kankercellen. Vandaar dat ik kan zeggen: ‘De postduif onthult het raadsel van de kanker.’
U zult bemerken dat in de reeks genoemde stoffen het vitamine C ontbreekt. Dit komt omdat de postduif het vitamine C zelf maakt overeenkomstig de behoefte die hij eraan heeft. Straks zal, bij de beschrijving van de genezing van de eerste patiënt, worden verklaard waarom vitamine C aan de reeks genoemde stoffen moet worden toegevoegd.

Hoofdstuk 4 – Het ulcus cruris (onderbeenzweer)

Intussen had het vraagstuk van het ulcus cruris, dat volgens prof. Tendeloo een basis kan zijn waarop kanker ontstaat, mij geen rust gelaten. Indien het op waarheid berustte wat de wijnbouwers hadden geschreven, dan was het niet ondenkbaar dat een ulcus cruris gunstig zou kunnen worden beïnvloed door citroenzuur en jodium. Toen dan ook een patiënt op mijn spreekuur verscheen met een ulcus cruris, dat reeds jarenlang bestond, besloot ik dit ulcus niet plaatselijk te behandelen, maar de patiënt als geheel inwendig te behandelen met citroenzuur en jodium, aangevuld met stoffen uit de lijst die ik met behulp van de duiven had samengesteld. Daarnaast het volgende dieet: geen suiker, maar citroenen. Het op deze wijze toegevoerde ascorbinezuur speelde een belangrijke rol. Na zes weken was het ulcus volledig genezen.

Later kreeg ik nog twee ernstige gevallen van ulcus cruris te behandelen. Het resultaat was hetzelfde. Door inwendige toediening van citroenzuur en jodium, gecombineerd met een dieet rijkelijk voorzien van ascorbinezuur (vitamine C) en bovendien nog vitamine A en E, ontstond een radicale genezing. Met het oog op de strijd tegen de kanker gaven deze resultaten, alsmede de door de experimenten met de duiven gevonden feiten, mij aanleiding tot het opstellen van de volgende regels:

  1. Het bij postduiven aanwezige hoge oxydatievermogen en de gezonde stofwisseling, waarop de gevonden lijst van stoffen een onmiskenbare invloed heeft, behoedt deze vogels tegen het verwekken van kanker. Het dieet rijkelijk voorzien van ascorbinezuur (vitamine C) en bovendien nog vitamine A en E, en de lijst van stoffen zouden wel eens een wapen kunnen zijn in de strijd tegen kanker.
  2. Het feit dat een ulcus cruris – volgens prof. Tendeloo – predisponeert voor kanker, met andere woorden dat eerst een basis aanwezig moet zijn alvorens kanker ontstaat, geeft aanleiding tot de veronderstelling dat door de manier waarop deze basis is weggenomen ook kanker op een zelfde wijze zou kunnen worden bestreden, namelijk door een behandeling van de mens als geheel met de gevonden stoffen.
  3. Ik kreeg vertrouwen in mijn grondgedachte dat kanker ontstaat op basis van een deraillement in de stofwisseling, met name een verminderde werkzaamheid van het oxydatievermogen en en daardoor een toename van gisting, dus afbraak van suiker zonder zuurstof met productie van melkzuur.

Anders gezegd: wanneer kanker ontstaat, dan ontstaat dit in een organisme met een gederailleerde stofwisseling en een verminderd oxydatievermogen, onder optreden van gisting. De conclusie ligt voor de hand: neem deze basis weg door middel van de gevonden stoffen, dan bestaat er grote kans dat ook de kanker verdwijnt. Het al of niet juist zijn van deze laatste conclusie kon echter alleen door een experiment aan het ziekbed worden bewezen.

Samenvatting van de eerste vier hoofdstukken

  1. Moerman heeft bevestigd dat men dat men bij gezonde postduiven, zolang ze gezond zijn, op generlei wijze kanker kan verwekken.
  2. Inspuiting met levende kankercellen bij gezonde postduiven doet geen kankergezwel ontstaan. De logische conclusie hiervan is dat bij postduiven de gezonde stofwisseling moet fungeren als onderdrukker, waardoor de ingespoten kankercellen niet in leven blijven.
  3. De gezonde stofwisseling van een postduif is afhankelijk van acht stoffen: citroenzuur, ijzer, jodium, zwavel, vitamine A, B, C, en E. Voor het behouden van een gezonde stofwisseling moeten derhalve deze stoffen dagelijks in voldoende mate in de voeding aanwezig zijn.
    4 Bij vermindering van deze stoffen in de voeding van de duiven, ontstaan ernstige gevolgen: verlies van optimale gezondheid; verlies van ‘vorm’; verminderde prestatie op de wedvluchten door het optreden van vermoeidheid, hetgeen wijst op een teruglopen van de oxydatieprocessen in de cellen, dus verminderde energieproductie. Genoeg bewijzen om te begrijpen dat bij deze duiven de stofwisseling is gederailleerd.
  4. Hiermede is tevens aangetoond dat tengevolge van deze gederailleerde stofwisseling embryonale stamcellen niet kunnen uitgroeien tot normale zuurstofademende cellen. De gisting in de cellen zal het zuurstofgebruik overheersen.
  5. Uit mijn ervaring is hiermede ook aangetoond dat het vermogen van een gezonde stofwisseling om het ontstaan van kankercellen te onderdrukken in een gederailleerde stofwisseling steeds meer verloren zal gaan en zal eindigen met een volledig uitvallen van de onderdrukker. Het gevolg hiervan zal zijn dat deze niet meer gezonde duif dan wel kanker kan krijgen.
  6. Aan het ontstaan van kanker gaat een deraillement van het lichaam vooraf. Hiermede is aangetoond dat aan het ontstaan van kanker een deraillement in de stofwisseling van ‘het lichaam als geheel’ voorafgaat, hetgeen op de voet wordt gevolgd door het uitvallen van de onderdrukker, waardoor de weg wordt vrijgemaakt voor het ontstaan van kanker. Kanker is dus geen plaatselijke ziekte, maar een ziekte van het lichaam als geheel. De tumor is hiervan een symptoom, en de oorzaak daarvan is een deraillement in de stofwisseling en het uitvallen van de onderdrukker. De conclusie ligt voor de hand. Tracht de stofwisseling weer gezond te maken door het toedienen van min dieet en de acht stoffen. Gelukt dit, dan zal de gezonde stofwisseling de functie van de onderdrukker herstellen. Wat daarna met de tumor zal gebeuren kan ‘kan aan het ziekbed worden vast gesteld.